Schijnzelfstandigheid betekent dat iemand werkt als zzp’er, maar volgens de wet eigenlijk in loondienst hoort te zijn. De zelfstandigheid is dan in naam aanwezig, maar in de praktijk niet. Dat klinkt misschien abstract, maar de gevolgen zijn heel concreet: voor zowel de zzp’er als de opdrachtgever kan de Belastingdienst met naheffingen komen.
Dit is een breed onderwerp met meerdere kanten, dus dit artikel legt stap voor stap uit wat schijnzelfstandigheid precies inhoudt, hoe je herkent of er sprake van is, en wat de risico’s zijn.
Wat is schijnzelfstandigheid bij zzp precies?
Van schijnzelfstandigheid is sprake als iemand op papier zelfstandig ondernemer is, maar in de praktijk werkt als een gewone werknemer. De Belastingdienst en rechters kijken niet naar hoe je de samenwerking noemt, maar naar hoe die er in werkelijkheid uitziet. Heet het een “opdrachtovereenkomst”? Dan nog kan de situatie als een arbeidsrelatie worden aangemerkt.
De wet kijkt naar drie kenmerken om te bepalen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als aan alle drie is voldaan, is er in juridische zin een dienstverband, ook al zegt niemand dat. Die drie kenmerken zijn:
- Arbeid verrichten: de zzp’er voert persoonlijk werk uit.
- Loon ontvangen: er is een tegenprestatie in geld.
- Gezagsverhouding: de opdrachtgever bepaalt hoe, waar en wanneer het werk wordt gedaan.
Dat derde punt, de gezagsverhouding, is het meest bepalend. Als een zzp’er elke dag van negen tot vijf op een vaste locatie werkt, instructies krijgt van een leidinggevende en niet zomaar een vervanger mag sturen, dan lijkt dat sterk op een dienstverband. Zelfs als er een factuur wordt gestuurd.
Concrete voorbeelden van schijnzelfstandigheid
Het helpt om dit te zien aan de hand van situaties die in de praktijk voorkomen. Schijnzelfstandigheid speelt vaak in sectoren zoals de bouw, zorg, transport en IT.
- Een verpleegkundige werkt vijf dagen per week op dezelfde afdeling, in hetzelfde rooster als het vaste personeel, maar stuurt maandelijks een factuur als zzp’er.
- Een chauffeur rijdt uitsluitend voor één bedrijf, in een bus van dat bedrijf, op tijden die het bedrijf bepaalt.
- Een IT’er werkt al twee jaar op het hoofdkantoor van één opdrachtgever, heeft een vaste werkplek, doet mee aan personeelsbijeenkomsten en krijgt instructies van een projectmanager.
In al deze gevallen is de kans groot dat de Belastingdienst of een rechter oordeelt dat er een arbeidsrelatie is, geen zzp-opdracht.
Het verschil met echte zelfstandigheid
Een échte zzp’er heeft meerdere opdrachtgevers, bepaalt zelf hoe het werk wordt uitgevoerd, draagt eigen ondernemersrisico en kan zich laten vervangen. De situatie hoeft niet aan alle punten te voldoen, maar hoe meer vrijheid en zelfstandigheid, hoe duidelijker het is dat iemand echt zelfstandig werkt.
Concreet: een zzp’er die zelf zijn uurtarief onderhandelt, zijn eigen gereedschap meebrengt, tegelijk voor drie verschillende klanten werkt en zichzelf mag laten vervangen door een collega-zzp’er, zit in een heel andere positie dan iemand die alleen maar factureert in plaats van een salarisstrookje te ontvangen.
De wet DBA en de handhaving
Sinds 2016 geldt de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (wet DBA). Die wet verving de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) die zzp’ers vroeger bescherming bood. Met de wet DBA zijn opdrachtgevers en zzp’ers samen verantwoordelijk voor een correcte beoordeling van de arbeidsrelatie.
Lang werd er nauwelijks gehandhaafd, maar vanaf 1 januari 2025 doet de Belastingdienst dat wel actief. Dat betekent dat opdrachtgevers die schijnzelfstandigen inzetten, loonheffingen en premies kunnen worden nageheven over de periode dat dit speelde. Ook de zzp’er zelf kan te maken krijgen met correcties op zijn belastingaangifte.
De risico’s voor zzp’er en opdrachtgever
De gevolgen van schijnzelfstandigheid zijn voor beide partijen serieus. Voor de opdrachtgever gaat het om:
- Naheffingen voor loonheffingen en premies (met terugwerkende kracht mogelijk over meerdere jaren).
- Een boete als er sprake is van opzet of grove nalatigheid.
- De verplichting om de zzp’er alsnog als werknemer te behandelen, inclusief ontslagbescherming en pensioenopbouw.
Voor de zzp’er zijn de risico’s anders van aard. In sommige gevallen verliest hij de zelfstandigenaftrek en andere ondernemersfaciliteiten die hij heeft gebruikt in zijn aangifte inkomstenbelasting. Omgekeerd kan het ook voordelen opleveren: als de situatie als dienstverband wordt herkend, heeft de zzp’er recht op arbeidsrechtelijke bescherming zoals doorbetaling bij ziekte.
Hoe beoordeel je de situatie?
Er bestaat geen simpele checklist die altijd het definitieve antwoord geeft. De Belastingdienst kijkt naar het totaalplaatje. Wel zijn er hulpmiddelen. Op de website van de Belastingdienst staat een webmodule (de WDBA, de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie) waarmee je een indicatie kunt krijgen. Je vult vragen in over de werkwijze, en de tool geeft een uitkomst: waarschijnlijk loondienst, mogelijk loondienst, of waarschijnlijk geen loondienst.
Let op: die uitkomst is geen garantie. Het is een hulpmiddel, geen officieel oordeel. Twijfel je echt, dan is het verstandig om juridisch of fiscaal advies te vragen bij een professional die de specifieke situatie beoordeelt.
Schijnzelfstandigheid draait uiteindelijk om één vraag: werkt iemand echt zelfstandig, of is de constructie puur om belasting en premies te besparen? Hoe eerlijker je die vraag beantwoordt, hoe minder risico je loopt. Zowel als zzp’er als als opdrachtgever doe je er goed aan de werkelijkheid niet mooier voor te stellen dan die is.